door op 12-12-2008 12:15ARTIKEL

Digitaal Erfgoed Conferentie: Nancy Proctor over het museum als agora

De uitverkochte Digitaal Erfgoed Conferentie had dit jaar twee internationale keynote sprekers aan weten te trekken. Na Diane M. Zorich was het op dinsdag 9 december de beurt aan Nancy Proctor. Zij is hoofd nieuwe media van het Smithsonian American Art Museum (SAAM) in Washington D.C. In het verleden werkte zij voor verschillende musea, waarbij ze al in een vroeg stadium pionierde op het gebied van digitalisering en ‘open stelling’ van musea online. In deze inspirerende sessie gaf Proctor tal van interessante voorbeelden waarbij zij onder andere in ging op de valkuilen en uitdagingen van het openstellen en het gebruik maken van content van bezoekers.

3 basis principes voor musea

Proctor startte de sessie met het schetsen van drie basis principes voor musea die klaar zijn om zich buiten de muren van het museum en de eigen website daarvan te begeven:

– Het gaat niet om technologie, maar om de missie en visie van een museum

– Uitleg is essentieel voor een museum, anders voelen bezoekers zich niet welkom

– Het museum is een distributie netwerk. Het museum moet op verschillende platformen bestaan en op verschillende plekken aanwezig zijn.

Het museum als agora

Volgens Proctor fungeert het museum als agora (marktplaats): het agora gaat verder dan de museummuren en de website, maar is het hart van de museum belevenis. Om als agora te kunnen functioneren, heeft het museum de volgende functies:

  1. Community
  2. Mash-up
  3. Plek voor socratische dialoog
  4. Fun

1. Het museum is een community

Mensen willen ervaringen delen en daarom moet je de mogelijkheid hiertoe als museum faciliteren. Proctor gaf het voorbeeld van de werken van Niki de Saint Phalle in het Tate modern. In het museum waren werken van deze Franse kunstenares te zien. Veel mensen begrepen het werk niet en vonden het eruit zien alsof hun hond of kind het ook had kunnen maken. Het museum maakte deze ervaring daarom multimediaal. Na het zien van het werk, konden mensen stemmen op verschillende stellingen, zoals ‘het lijkt op een grote chaos’. Hierna startte een video met uitleg over de werkwijze van de kunstenares. Tenslotte werd er gevraagd of de bezoeker het nu anders zag. In veel gevallen werd er geantwoord ‘ja, ik begrijp nu beter wat de betekenis is’. Het museum was uiteraard erg blij met deze video toepassing. Uit onderzoek bleek echter dat bezoekers de video niet belangrijk vonden, maar wel het feit dat het museum vroeg wat ze ervan vonden. Ook wilden ze graag weten wat andere bezoekers ervan vonden.

Hierna ging het museum verder experimenteren met stemmen, polls en ‘my collection’. Bij deze laatste konden mensen online werken verzamelen in hun eigen omgeving. Ook hier bleek dat bookmarken (het opslaan van favoriete werken) en het doorsturen hiervan de meest gebruikte functie was.

Tate TXT was de volgende toepassing die het museum ontwikkelde. Dit was een berichten service, waarmee bezoekers hun mening over de werken vanuit het museum konden sturen naar vrienden. Dit was geen succes, want al snel bleek dat mensen het niet nodig hebben. Iedereen heeft immers een mobiele telefoon in zijn of haar broekzak, waardoor Tate TXT geen toegevoegde waarde had.

2. Het museum is een mash-up

Vind mensen op de plek waar ze zijn en breng ze dan iets nieuws. Bezoekers bevinden zich op sociale netwerken en dat is dus de plek waar je ze moet bereiken. Vanaf daar kan je ze nieuwe dingen laten zien en ze met nieuwe omgevingen in aanraking laten komen. Dat is het uitgangspunt van het museum als mash-up. Hierbij noemde Proctor het voorbeeld van ‘save outdoor spaces’. Het Smithsonian American Art Museum wilde hiermee lokale gemeenschappen activeren om hun werken geografisch in beeld te brengen. Dit kon door beelden en sculpturen toe te voegen aan een database, waardoor deze op een kaart werden weergegeven. Na een tijdje bleek dat de techniek niet goed functioneerde. Daarom is het museum over gegaan naar Google Maps. Dit was immers de plek waar mensen al actief waren en dus bekend waren met de techniek hiervan.

Een mash-up is een web applicatie die data van meerdere bronnen combineert in een nieuwe applicatie. Ook wanneer mensen geen gebruik maken van Web 2.0 technologieën zoals Flickr, Google maps, etc. mashuppen bezoekers volgens Proctor altijd. Wanneer mensen in het museum zijn, gaan ze smssen met vrienden, naar het (museum)cafe, etc. Mensen zijn dus gewend aan het museum als mash-up en daarom moet je daar online op inspelen.

3. Het museum is een plek voor socratische dialoog

Een derde functie van het museum is het creëren van een dialoog, zodat het voor derden makkelijker wordt om te participeren. Het SAAM ontwikkelde daarom de eerste American Art podcast. Dit is een educatieve podcast over kunst. Hierna startte het museum een ander podcast project: ‘learning through teaching’. Studenten werden het museum ingebracht om podcasts te maken. Dit zorgt er volgens Proctor niet alleen voor dat de kennis van studenten over kunst wordt vergroot, maar ook dat de kwaliteit van schrijven beter wordt.

4. Het museum is fun!

Eén van de belangrijkste functies vindt Proctor de fun factor van een museum. Het is immers een belevenis en die moet vooral leuk zijn! Daarom ontwikkelde het SAAM de Alternate Reality Game (ARG) Ghosts of a Chance. Een ARG is een interactieve game die plaatsvindt in de echte wereld, maar ook gebruik maakt van multimediale elementen. Een ARG wordt vaak gebruikt voor het vertellen van verhalen. Ghosts of a Chance maakte gebruik van de echte wereld en digitale omgevingen zoals web, mobiel en sms, waarbij het verhaal zich ontvouwde door een serie van gebeurtenissen. Dit is veel interactiever en leuker dan bijvoorbeeld de audio tours. De reacties die het museum kreeg waren volgens Proctor dan ook overweldigend.

It’s better to be on the buss, then off

Proctor sloot af met de mededeling dat het in beginsel zeker eng is om gebruik te maken van user generated content van bezoekers. Volgens haar is er echter geen alternatief, want bezoekers produceren deze content (tekst, foto, audio en video) toch. Zij hebben immers een mening en willen deze delen met anderen. Daarom moet je zorgen voor een goede integratie hiervan. Hierbij moet je soms het wiel opnieuw uitvinden en blijven ontwikkelen, maar dit is absoluut nodig, want ‘it’s better to be on the buss, then off!’.

Zoals gezegd vond ik het een erg inspirerende sessie. De voorbeelden zijn Amerikaans, maar geven aan dat het gaat om ‘durven innoveren’. Potentiële bezoekers zijn online waar ze creëren en participeren. Dat is dus de plek waar je ze moet bereiken. Door te werken aan slimme oplossingen die crossmediaal zijn en dus gebruik maken van het fysieke museum, sociale media, games, mobiel en radio is het mogelijk deze input van bezoekers om te zetten tot een toegevoegde waarde. Niet meer gebonden aan één plek, maar als overkoepelend hart van een museum. In het geval van Proctor gaat het om grote musea met grote budgetten, maar dit betekent niet dat je als kleiner museum (of andere culturele instelling) niet aan de slag kan met het open stellen. Door een goede strategie uit te werken en deze met kleine stappen uit te voeren, is innovatie voor iedere organisatie mogelijk!

Ook de presentatie van Nancy Proctor komt later hier beschikbaar. En hier via Frankwatching de keynote van Nancy Proctor:

Conferentie2008

View SlideShare presentation or Upload your own. (tags: technology museum)

Photocredit: Allie Caulfield

Hilde Smetsers

Geschreven door Hilde Smetsers

Hilde Smetsers is mede-oprichter en directeur van Cultuurmarketing. Het is Hilde’s missie om de kunst- en cultuursector te versterken.